Oudenaarde werd
een
eeuw geleden omschreven als
idyllisch
en schilderachtig, niet enkel en alleen
door de aanwezigheid van talrijke prachtige historische
gebouwen (zoals de monumentale Walburgakerk, het
statige stadhuis, de imposante Grote Markt, de
elegante Pamelekerk …), maar tevens door
de kronkelende Schelde en diverse grachten, zoals
de Burgschelde en de Grachtschelde, die de stad
doorkliefden. In Oudenaarde waren talrijke plekjes
terug te vinden, die maar al te graag op doek
en op foto vereeuwigd werden door de kunstenaars
van die tijd (waaronder onze eigen en onovertroffen
Edmond Van de Vijvere). Mede door de grachten
werd Oudenaarde in die tijd vergeleken met Brugge
en zelfs het kleine Brugge of
“le
petit Bruges” genoemd. Engelse
schilders verbleven graag in onze prachtige stad.
Rond de vorige eeuwwisseling had Oudenaarde naast
de genoemde
Burgschelde en
Grachtschelde nog twee andere aanzienlijke grachten. Een eerste
was de
“vestinggracht” die vertrok naast de Scheldebrug aan de Meerspoort,
vervolgens achter het hospitaal en de tuinen van
de Hoogstraat liep, zich onder het Tacambaroplein en het eerste deel van de huidige Gevaertsdreef boorde,
om vervolgens achter café de Werkmanslust zijn weg te vervolgen
naar het park om aansluitend in de Burgschelde
uit te monden. Een tweede was de in 1776 gegraven
Coupure (ook “hoofdriool”
genoemd) die vertrok op de Meerspoort (was een
aansluiting op een gracht afkomstig van den Donk),
de Beverestraat doorkruiste, achter de Gevaertswijk,
via de Bleekerijstraat en de Rode
Los in de Schelde uitmondde. Een vertakking op
het einde van de Bleekerijstraat werd het Einekanaal
genoemd en liep richting Eine.
Daarnaast was er nog een afleidingskanaal van
de Schelde: de
Vaart. Deze vertrok
aan “Tonkin” in Leupegem en omzoomde
de zuid- en oostzijde van de stad tot aan
de Eindries.
Verder waren er op de Ham en de Meerspoort nog
diverse kleinere grachten.