“De Heyndriesch, binnen de vryhede der stadt Audenaerde” was een eeuw geleden nog een zeer landelijk gebied.
Deze extra-muros gelegen wijk ten noordoosten van de stad, werd door Thomas – graaf van Vlaanderen en Henegouwen - in 1241 geschonken aan de stad Oudenaarde, maar bleef tot het interbellum een landelijk gebied buiten de stadsmuren.

Op de Eindries werd in de 13de eeuw het Sint-Jacobshospitaal opgericht. Het verschafte vooral een onderkomen aan behoeftige doorreizende pelgrims. In 1670 werden de goederen aan het Sint-Juliaanshospitaal (aan het Spei) overgedragen. Het gebouw werd afgestaan aan de zwarte zusters.

Eveneens in de 13de eeuw werd op de Eindries het klooster van Sion gesticht, ook Onze-Lieve-Vrouw ten Distelen genoemd. Om veiligheidsredenen werd het klooster tenslotte eind 14de eeuw naar Pamele verhuisd op een plaats binnen de stadsmuren.

Op de Eindries stonden de zogenaamde “pesthuizekes” waar men zieken verzorgde (jaren 1500). Blijkbaar wilde men op deze manier de ziekten zoveel mogelijk buiten de stad houden.

Dat de Eindries altijd een landelijk gebied is geweest, is geweten, doch er stonden ook heel wat huizen. Immers op 16 maart 1543 ontstond er op den Eindries een grote brand, waarbij 17 woningen ten prooi vielen aan de vlammen. Blijkt dat de wijk toen zeer bevolkt was, men telde er immers 274 huizen.

In de tijd van de reformatie werd de Eindries bevolkt door heel wat hervormingsgezinden. In januari 1566 was er reeds sprake van een gereformeerde kerk op de Eindries. Daar werd een preek gehouden, waarna 4 koppels zich aanboden om te trouwen. Het werd de gereformeerden toegestaan een nieuwe kerk op te richten over de Schelde op een plaats genaamd “Het Zwaantje”. Ze weigerden en vroegen de Eindries om hun kerk te bouwen. Op 17 november 1566 werd op de Eindries door de Gentse predikant Nicasius Vanderschueren een preek voor 7000!!! toeschouwers gehouden.
Op 28 december 1566 reikten de aanhangers van de nieuwe religie voor de eerste maal het nachtmaal uit aan de leden van hun gemeente in de nieuwe kerk van de Eindries. Deze nieuwigheid lokte een grote menigte van verschillende gezindheden.

De Eindries is door zijn bevolking van boeren steeds een belangrijke leverancier van groenten en vlees geweest voor de inwoners van de stad Oudenaarde. De Einepoort diende als verbinding voor deze handel tussen de stad en de Eindries.
In 18de eeuw werd een verbod uitgevaardigd om, in kerken of op kerkhoven gelegen binnen de steden, nog lijken te begraven. Het kerkhof rond de Walburgakerk verdween. In 1784 werd een stuk grond op de Eindries gewijd, Sint-Jacobsland genoemd, dat zou dienen als nieuw kerkhof. Dit kerkhof aan de Dijktraat is de rustplaats van heel wat beroemde Oudenaardisten en heeft talrijke waardevolle grafmonumenten. Het werd in 1902 uitgebreid tot de Groenstraat (1).

In dezelfde eeuw waren er reeds tal van lijnwaadblekerijen op de Eindries, die gedurig met de kooplieden uit de stad onderhandelden. Immers na de ineenstorting van de tapijtnijverheid nam de textielindustrie haar toevlucht tot een nieuwe grondstof, nl. het vlas. De boeren op de Eindries konden het zelf zaaien en oogsten, roten, braken en zwingelen. De vrouwen konden het spinnen. ’s Winters als er geen werk was op de akkers weefden de boeren het gesponnen garen op hun eigen getouwen. Op het hoogtepunt van deze nijverheid werd tot 700 stuks grauw linnen aangeboden op de wekelijkse markt. Daarnaast werd heel wat linnen verkocht aan huis. Geweven linnen was “vuil”: het bevatte alle onreinheden opgelopen tijdens de bereiding van de grondstof, het spinnen en het weven. Daarom moest het gebleekt worden. Bij het bleken was heel wat water vereist. Dit verklaart waarom de blekerijen aan grachten gelegen waren. Cruciaal voor deze lijnwaadblekerijnijverheid in Oudenaarde was o.m de vroegere Coupure (ook “hoofdriool” genoemd). De naam Blekerijstraat aan de nu gedempte Coupure spreekt voor zich.
Door de opkomst van de katoenindustrie, met in Oudenaarde de fabrieken van Gevaert, gingen de vlasnijverheid en de blekerijen stilaan verloren.

Vermeldenswaard is dat in de 19de eeuw tussen de Parkstraat/Prins Leopoldstraat en de Schelde de “pleine des manoeuvres” lag, nl. een militair oefenterrein.

Veel getuigen uit het verleden van de Eindries zijn er niet meer overgebleven. In het begin van de Broekstraat vinden we nog een prachtig (vroeger omgracht) huis van ca 1860 (2). Verder zijn er in de straat nog twee boerderijen overgebleven. De eerste is een gesloten hoeve die oorspronkelijk toebehoorde aan het O-L-Vrouwehospitaal en elementen uit de 18de eeuw bevat. Deze hoeve is momenteel in vervallen toestand (3). De tweede hoeve ("Hof Tack") in U-vorm ligt aan het einde van de Buiteneindries op de grens met Eine en Bevere en dateert uit de 19de eeuw (4). De rond de vorige eeuwwisseling opgerichte voormalige textielfabriek "Saffre Frères" gelegen in de Dijkstraat en aan de voormalige Coupure, is de stille getuige van de eertijds bloeiende textielnijverheid (5). Op de hoek van de Prins Leopoldstraat met de Ijzerstraat ligt de vroegere herberg "De Kroon" (met voortuintje), vermoedelijk uit de 18de eeuw (6).