Arm en ziek

De meningen rond armenzorg zijn in de loop der eeuwen grondig veranderd. Tot in de 10de eeuw waren armen en behoeftigen onnuttige mensen waar men zich slechts sporadisch om bekommerde. Vanaf de 12de eeuw veranderde die mening. De armen hadden hun specifieke plaats in de maatschappij. Door hun gebrek, hun lijden en hun ontbering, waren ze al van het aardse onthecht. De armen konden bemiddelaars worden tussen de wereld en God. Geven aan de armen, was geven aan God.

Rijken konden hun zitjes in de hemel verdienen door caritatieve instellingen, die armen verzorgden, te ondersteunen. of door rechtstreeks aalmoezen te geven. Niet enkel religieuzen beschouwden het als hun taak te zorgen voor de armen, ook de burgerij hield zich bezig met de opvang en ondersteuning. Het resultaat hiervan waren de Tafels van de Heilige Geest, ook wel armendis of armentafel genoemd. Deze werden vanaf de 12de eeuw opgericht en bestuurd door leken. De Heilige Geestmeester of de dismeester was verbonden aan de Tafel van de Heilige Geest en maakte deel uit van de magistratuur die belast was met het burgerlijke bestuur. De naam Heilige Geesttafel verwijst naar de plaats waar de bedeling van brood of andere goederen gebeurde, meestal achteraan in de kerk, op een tafel. Armentafels waren bestemd voor de eigen parochianen.

Daarnaast bestond er vanaf de 14de eeuw nog de Kamer der Huisarmen (aalmoezeniers). Deze bedeelden kleding en voedsel aan huis en probeerden daarmee de bedelarij onder controle te houden.

Armenzorg betrachtte geen lotsverbetering maar wel de armoede te beheersen, van erger te voorkomen. Ook bleven hierdoor de armen onder controle. Wie het bont maakte, kon zijn steun verliezen.

Tot omstreeks de 12de eeuw konden armen, bedelaars en kreupelen in abdijen terecht voor aalmoezen of onderdak. Nadien ontstond een meer gerichte armenzorg in hospitalen, passantenhuizen en leprozerieën. Het ontstaan van hospitalen liep gelijk met de opkomst van de steden. Naast de hospitalen bestonden er ook leprozerieën, waar melaatsen leefden en werden verzorgd. Een leprozerie beschikte over goederen en inkomsten zodat duurzame gebouwen konden opgetrokken worden.

Een andere belangrijke rol in de middeleeuwse armenzorg was toebedeeld aan het godshuis, opgericht met als doel de ouderen te verzorgen. De eerste godshuizen werden gesticht in de 13de eeuw. Godshuizen werden dikwijls gesticht door rijke particulieren, die hun erfenis hiervoor gebruikten. De ambachten richtten een ander soort godshuizen in. Behoeftige, bejaarde leden vonden er een thuis. Zo was er vanaf 1513 in de Einestraat een Sint-Michielsgodshuis, uitgebaat door het ambacht van de tapijtmakers, waar 6 kleine woningen ter beschikking werden gesteld van berooide en zieke merceniers (handelaars).

Oudenaarde had ook enkele weduwenhuizen. Er zijn 3 stichtingen gekend die 16 weduwen onderdak gaven.

In Oudenaarde speelde het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal een belangrijke rol in het verzorgen van zieken en het ondersteunen van armen. Tot 1430 hield de priorin wekelijks zitdag om uitdelingen te doen aan de armen. Nadien stortte het hospitaal geld in de armenkas. Armen en arme zieken kregen kost en inwoon. Voor passanten of pelgrims was er tijdelijk plaats, waarschijnlijk voor één nacht. Besmettelijke zieken, zoals pestlijders en leprozen, zwangere vrouwen, geesteszieken en epileptici werden uit het hospitaal geweerd. In de 16de eeuw kwam daar verandering in voor de pestlijders.

Het hospitaalcomplex

Het hospitaal beschikte over 16 bedden. In de middeleeuwen lag men met 2 personen, met het gezicht naar elkaar in één bed om elkaar warm te houden. De medische kennis bij het verzorgen van zieken was eerder gering. Men teerde op de ervaring of eigen ervaring om de zieken te verzorgen. Rond 1450 beschikte men over een geschoolde doctor medicus en een chirurgijn of barbier.

Het hospitaal had een eigen neerhof

Andere ‘hospitalen’ waren het Sint-Jacobshospitaal en het Sint-Juliaanshospitaal. Het Sint-Jacobshospitaal lag aanvankelijk sedert eind 14de eeuw op de Eindries. Later zou het naar de Einestraat verhuizen. Hier werden reizigers en pelgrims opgevangen voor één nacht. Het hospitaal werd bestuurd door de armmeesters van Oudenaarde en Pamele, en de frok van de confrerie van de heilige Jacob van Compostella. Het hospitaal was afhankelijk van het stadsbestuur. Het Sint-Juliaanshospitaal, met oudste vermelding uit 1416, lag aan het Spei tegen de Bergstraat. Het deed dienst als passantenhuis, de tijdelijke toevlucht voor pelgrims en reizigers. Uiteindelijk zou het hospitaal in de 18de eeuw verdwijnen.

Een veel voorkomende ziekte was lepra of melaatsheid. Door de opkomst van de steden en de dichtere bevolkingsconcentraties was er een nood om deze zieken af te zonderen buiten de stadspoorten. Daar de wind in onze streek meestal uit het westen komt, werd er eind 12de eeuw een leprozerie op Ter Baillen (net buiten de Bergpoort) opgericht. De leprozerie deed dienst voor zowel mensen van Oudenaarde als Pamele. Voor de gegoede burgers werden leprahuizen gebouwd waar men zich moest inkopen. De leprozen die niet in de stedelijke leprozerie terechtkonden, leefden in een schamel huttencomplex op het platteland binnen de bevoegdheid van het Oudenaardse schependom. Men sprak van akkerzieken.

Medisch personeel om die mensen te verzorgen, was er niet. De leproze moest een intredegeld betalen. Wie dit niet kon, werd wekelijks op zijn prove (een toelage) een bepaalde som afgehouden tot het volledig intredegeld betaald was. Vooraleer men kon intreden in de leprozerie moest men medisch gekeurd worden in de leprozerie van Gent of Doornik. Er waren mensen die zich leproos wilden laten verklaren om de proven te kunnen ontvangen. Tot 1440 moesten de gezonde inwoners van Ter Baillen samen me de lepralijders dezelfde kapel delen. In 1440 werd uiteindelijk een nieuwe kapel voor de inwoners gebouwd. Bij de intrede als leproze werd een requiemmis of dodenmis gecelebreerd omdat men niet meer levend de leprozerie zou verlaten. Ook werd hen de biecht afgenomen. Gemiddeld verbleef de lepralijder iets meer dan 5 jaar in de leprozerie vooraleer te sterven. Gestorven leprozen werden op het kerkhof van Edelare begraven.

Naast de zusters van het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal waren vooral de zwartzusters actief in de ziekenzorg. Zij gingen de zieken aan huis verzorgen.