Françoise Marie Long
Een straffe madam in dienst van de zieken en het hospitaal

Wie was zij?

Françoise Marie Long stamt uit een Engelse niet-katholieke adellijke familie. Waarom ze naar het vasteland is gekomen, is niet gekend. Een memorie uit 1793 beweert het volgende: ‘Mademoiselle Long soit venue seule et sans appui chercher le vraie foi dans ses provinces Belgiques’. Volgens een archiefstuk verbleef zij ‘au couvent de Lorraines à Bruxelles’, een gemeenschap van reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus (het klooster van Sion in Oudenaarde was gelijkaardig). Deze zusters hadden een ‘école gratuite’ voor jonge meisjes en ontvingen ook ‘pensionaires’ (zelfs uit vreemde landen). Verbleef zij in dit klooster als pensionaire? Zeker is dat zij geen erkende religieuze was.

Bemoeienissen van een ‘verlicht’ Oostenrijks bestuur

Op 11/06/1785 trad zij in bij de communauteit van het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal van Oudenaarde en op 27 november ontving zij het religieuze habijt. De gemeenschap telde op dat moment 8 zusters, onder wie priorin de Roysin.

Gans haar religieus leven zou zij voor het behoud van het hospitaal en de religieuze gemeenschap vechten. Zij had gedurig te maken met moeilijkheden. Er brak een periode aan waarbij het religieuze werd aangevallen en ingeperkt. Er was een steeds groeiende invloed en bemoeienis van de staat.

Het hospitaal was een machtige organisatie die veel eigendommen bezat en gronden verhuurde. De zusters stonden in contact met de notabelen in de maatschappij. De opkomende burgerij en de vorst wilden deze macht aan banden leggen en een graantje meepikken.

Jozef II schafte een groot aantal religieuze gemeenschappen af, vooral deze die niet nuttig waren. Het hospitaal bleef in 1787 gespaard.

Kort daarna vroegen een aantal zusters of zij de gemeenschap mochten verlaten. Wat was de reden? Er werd beweerd dat het hospitaal in financiële moeilijkheden kwam door een al te luxueus leven van de zusters. Deze werden verplicht te bezuinigen. Sommigen zagen dat niet zitten. Volgens een verslag van de gemeenteraad hadden indringers enkele hospitaalzusters opgehitst om van levensstaat te veranderen. Deze indringers waren na de afschaffing van hun klooster opgenomen in de gemeenschap van het hospitaal. In maart 1788 richtten 5 van de 7 zusters een verzoekschrift aan de centrale regering met de vraag geseculariseerd te worden en de gemeenschap met een goed pensioen te mogen verlaten. De 2 overblijvende zusters waren Françoise Marie Long en Marie-Thérèse Van der Noot (een zus van patriot Hendrik van der Noot). Zij wilden de ziekenverzorging verder doen en trouw blijven aan hun geloften.

De burgerlijke overheid vroeg de keizer de toestemming om beide zusters met de hulp van enkele dienstboden het ziekenwerk te laten verderzetten en ook novicen te mogen aannemen. Hij besliste uiteindelijk dat de zusters die de gemeenschap wilden verlaten dit mochten doen en een jaargeld zouden ontvangen. Zij die wilden blijven, kregen een som voor hun persoonlijk onderhoud. Ze mochten ook mensen aanvaarden voor het noviciaat.

Enkele maanden later keerde de keizer zijn kar. Binnen de regeringsraad werd beslist dat de communiteit van de zwartzusters te Oudenaarde werd overgebracht naar het hospitaal om er het werk van de zusters over te nemen. De 2 overblijvende zusters hadden de keuze, ofwel zich aansluiten bij de zwartzusters ofwel de gemeenschap verlaten met een vergoeding. De goederen van het hospitaal werden in beslag genomen.

De zwartzusters kwamen daadwerkelijk naar het hospitaal (zie postkaart). De zusters Long en van der Noot verlieten hierop het hospitaal. In mei 1789 verbleven zij in het klooster van Sion. Waar zij nadien verbleven is niet gekend. Feit is dat ze in november 1789 naar het hospitaal te Oudenaarde terugkeerden. De wisselende politieke machtsverhoudingen zullen hieraan waarschijnlijk niet vreemd zijn. Op 26 november werden zij opnieuw aangesteld in het hospitaal. Long nam de zorg voor de zieken op zich en werd verantwoordelijk voor de novicen. Van der Noot werd de overste van de communauteit en nam de directie van het hospitaal voor haar rekening.

In juni 1790 nam het hospitaal de verzorging van de slachtoffers van de plattelandsopstand op zich. Op 09/07/1790 stierf plotseling Marie-Thérèse van der Noot. De 31-jarige zuster Long stond er nu alleen voor. Gelukkig meldden zich nieuwe kandidaat-zusters.

Snel deden er zich nieuwe moeilijkheden voor met de kerkelijke en burgerlijke overheid. De procureur-generaal van Vlaanderen wilde de zusters van het koninklijk militair hospitaal van Menen overbrengen naar het Oudenaardse hospitaal. De bisschop van Gent wilde bovendien dat de zusters die het klooster verlaten hadden, zouden terugkeren. Françoise Marie Long was helemaal niet gelukkig met deze gang van zaken. Zij was er voorstander van enkel nieuwe religieuzen aan te nemen. De Gentse bisschop Lobkowitz (een Oostenrijker van geboorte) weigerde dit.

Long had nog een bijkomende zorg. Zij moest ervoor zorgen dat het hospitaal financieel rondkwam. De uitgaven waren groot. Jaarlijks werd een uitkering betaald aan de uitgetreden religieuzen en vaak werd het hospitaal verplicht een zware oorlogsbelasting te betalen.

Een verschrikking

Waarschijnlijk was de periode 1794-1799 de verschrikkelijkste periode voor de stad en het land. Bij de komst van de Fransen had Marie Françoise Long reeds in juni het hospitaal verlaten. Zij vluchtte naar Den Haag en had de archieven van het hospitaal meegenomen. In het voorjaar van 1795 keerde zij, net zoals diverse gevluchte vooraanstaanden en geestelijken, terug naar Oudenaarde. Zij nam het bestuur van het hospitaal opnieuw op zich.

De burgerlijke overheid had hier een probleem mee en tekende beroep aan bij het algemeen bestuur voor Oost-Vlaanderen. Men beschuldigde haar de goederen van het hospitaal te verkwisten. De leden van het Algemeen Bestuur voor Oost-Vlaanderen noemden haar een vijand van de revolutie. Het Centraal Bestuur van België besliste uiteindelijk dat zij onmiddellijk het hospitaal moest verlaten. Op 01/10/1795 verliet zij voor de derde keer het huis. Het is niet duidelijk waar zij vanaf dan verbleef.

In oktober 1796 werd een ’Commission des hospices civils’ opgericht, die de goederen van het hospitaal beheerde en het huis bestuurde.

Versoepeling

De opkomst van het Napoleonregime in 1799 maakten een einde aan de verschrikkelijke revolutionaire jaren. De algemene versoepeling ten aanzien van de Kerk, maakte het Françoise Marie Long mogelijk naar Oudenaarde terug te keren. Alle hospitaalgoederen waren intussen verbeurd verklaard. Begin maart 1801 bood zij de prefect van het Departement van de Schelde haar gratis diensten aan om het bestuur van het hospitaal op zich te nemen. Hij stemde ermee in en gaf haar de toelating om nieuwe religieuzen te aanvaarden, die haar konden helpen bij de verzorging van de zieken. De leden van de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen waren allesbehalve blij. Het hospitaal stond onder het toezicht van deze commissie, die de goederen beheerde en zelfs het aantal religieuzen bepaalde.

Naast de zieken kregen nu ook ouderlingen en vondelingen een thuis in het hospitaal.

Boven: de ziekenzaal
Links: de reeds verdwenen apostelhuisjes voor vreemdelingen

Zuster Long was tevens begaan met de school voor arme meisjes in Oudenaarde, die onderwijs verschafte aan kinderen uit arme families en aan wezen. De leden van de Commissie zagen na verloop van tijd in dat de zusters uitstekend werk leverden.

De congregatie van de hospitaalzusters werd gevraagd vóór 01/01/1810 de statuten ter goedkeuring voor te leggen om als openbaar instituut erkend te worden. In december 1810 werden de hospitaalzusters wettelijk erkend. De gemeenschap was voor hun ziekenwerk afhankelijk van de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen. Voor het geestelijk leven was zij afhankelijk van de bisschop. In 1813 werd zuster Long als overste (priorin) verkozen, een taak die zij in feite reeds jaren uitoefende.

Verdachtmakingen

Het Hollandse bewind stond niet positief tegenover de Kerk en de religieuzen. Opnieuw kwamen er verdachtmakingen en waren er pogingen om de instelling op te heffen. Zo werd de priorin in 1818 uit haar functie van econoom ontslagen. Men verdacht haar van verkwisting en misbruik van haar taak. Men wilde haar zelfs uit het hospitaal verwijderen. Zo ver is het echter niet gekomen. Op 15/06/1819 overleed Françoise Marie Long.

Ze wordt herinnerd als een moedig en vastberaden persoon die ervoor zorgde dat een eeuwenoude religieuze gemeenschap met bijhorend hospitaal overeind bleef in bijzonder moeilijke politieke omstandigheden, in een tijd waar het religieuze leven het uitermate zwaar had. Eén van haar opvolgsters, mevrouw Torné, typeerde haar: ‘Zij stierf zoals ze leefde, als een stichtend voorbeeld: alle onrecht, alle lasteringen die over haar persoon en haar bestuur werden verspreid, vergaf ze.’