De maquette van Nicolas de Nézot

Geschiedenis van de Oudenaardse vesting

Volgens bronnen uit 1127 en 1155 werd Oudenaarde als oppidum beschreven. Hieruit blijkt dat de handelsnederzetting toen al versterkt was. Een aarden wal met gracht liep vanaf de toenmalige Schelde door de Einestraat, over de Markt, rond de Walburgakerk, om vervolgens opnieuw aan te sluiten bij de Schelde. De omwalling was 500 meter lang en omsloot 5 à 6 hectaren.

Pamele kwam na 1047 op de rechteroever van de Schelde tot ontwikkeling. De Novus Burgus werd stilaan stad. In de 12de eeuw werd een stadskeure verleend. Op dat moment kreeg Pamele ook een omwalling.

Met de aanleg van een versterking in de Scheldebocht ging een hydrografische ingreep gepaard. De Burgschelde zorgde voor een afsnijding van een Scheldebocht. Aangezien de versterking op het afgesneden stuk veel kleiner was dan het stuk zelf, werd nog een tweede kleinere gracht gegraven. Later werd de Grachtschelde gegraven met als doel watermolens te kunnen bouwen in de stad. Een andere ingreep was de rechttrekking van de Schelde door het graven van het Spei.

Reeds vóór 1253 werd Pamele in de stadsvesten opgenomen waardoor beide agglomeraties één stad vormden met de typische peervorm die haar tot het midden van de 19de eeuw zal karakteriseren. In 1290 was de stad volledig met stenen muren en aarden wallen omringd. 5 poorten vormden de enige toegangen tot de stad. In deze fase werd ook de Grote Markt aangelegd en verving een trapeziumvormig kasteel de oude burchttoren.

In de volgende 6 eeuwen was de geschiedenis van de vestingen een verhaal van vestingen opbouwen en vestingen afbreken. Oudenaarde werd diverse malen belegerd. In 1380 veroverde Gent Oudenaarde en liet de poorten en muren slechten. In 1381 werd het grafelijk gezag hersteld, net zoals de poorten en de muren.

Tussen 1384 en 1400 liet Filips de Stoute, als bolwerk tegen Gent, bij de Schelde-uitgang het kasteel van Bourgondië bouwen. Jan zonder Vrees bouwde nog meer versterkingen. Zo liet hij 2 grote torens bouwen ter hoogte van het kasteel, namelijk de Perretoren en de Bourgondische toren. Deze werden met een stenen brug verbonden. De stadswallen werden verstevigd en voorzien van 24 torens en 5 poorten.

In de 15de eeuw werd aan de Meerspoort over de Schelde een brugsluis met 3 bogen opgetrokken. Hiermee was het mogelijk de toegang tot de stad via de Schelde te versperren. Dit waterwerk werd de Belle Fidèle genoemd.

Tijdens de calvinistische bezetting gaf François de La Noüe aan Oudenaarde zijn eerste bastions. Na deze versterkingswerken noemde hij Oudenaarde het kleine La Rochelle (de stad was oninneembaar). Vauban maakte tijdens de Franse bezetting (1667-1678) van Oudenaarde een echte ‘Vauban’vesting. Hij liet 4 grote bastions bouwen, de bastions van de zwarte zusters, van Sion, van Brussel en van Doornik. Hij pakte de demi-lunes aan en liet een chemin-couvert maken in het overstromingsgebied. Tevens werd een systeem van 10 sluizen gecreëerd. Via de sluizen kon een groot deel van de Scheldevallei van Oudenaarde en omgeving onder water gezet worden.

In de eerste helft van de 18de eeuw maakten Hollandse troepen als surplus van de Vaubanversterkingen, stroomafwaarts net buiten Oudenaarde, door water omringde lunetten, namelijk het Fort du Triolet en het Fort aux Choux. Nadat de Fransen in 1745 de stad hadden ingenomen, werd vanaf 1746 met de ontmanteling van de buitenste vestingwerken begonnen. De burgemeester drong evenwel aan om de omwalling en de sluizen te behouden. Deze beschermden Oudenaarde immers tegen overstromingen.

Onder de Nederlanders zou voor de laatste maal ingrijpend aan de versterking van de stad gewerkt worden.

Een ‘plan-relief’ van Oudenaarde

Een prachtig beeld van Oudenaarde, voorzien van de volledige Vaubanversterkingen anno 1746, vinden we terug in een maquette van de Franse ingenieur Nézot.

De ‘plans-reliefs’ zijn maquettes op een schaal van 1/600 van de door Vauban versterkte steden die gelegen waren aan de grenzen van het oude koninkrijk Frankrijk. Ze tonen een heel precies beeld van die steden in het ancien régime, meer bepaald van de versterkingen, de monumenten, maar ook van het platteland errond.

Men zou zowaar vergeten dat het oorspronkelijke doel van deze pareltjes zuiver militair was. Onder Lodewijk XIV kwam men tot het inzicht dat versterkte plaatsen belangrijk waren in de oorlogvoering en in het consolideren van de grenzen. In de tijd dat Louvois ‘Secrétaire d’Etat à la guerre’ was, besliste hij dat er van bepaalde steden maquettes moesten gemaakt worden met als doel ‘de faire toucher au doigt et à l’œil tous les défauts et de les faire corriger’. Voor de artillerie was de uitbeelding van de omgeving van de versterkte steden belangrijk.

De vervaardigingstechnieken verbeterden in de loop van de 18de en 19de eeuw. De voortuitgang van de artillerie zorgde ervoor dat na 1870 de maquettes hun nut verloren. Momenteel bestaan er nog een 100-tal maquettes. 16 worden in het Palais des Beaux Arts in Lille tentoongesteld en de rest in het musée des Plans-Reliefs aux Invalides de Paris. In Lille staan er 7 maquettes van Noord-Franse steden, 8 Belgische (waaronder Oudenaarde) en 1 Nederlandse (Maastricht). Ze dateren uit de periode van 1691 tot 1826.

Nicolas de Nézot (1699-1768) maakte als militair ingenieur, in opdracht van de Franse koning Lodewijk XV, plannen die gebruikt werden voor de uitvoering van stedelijke verdedigingswerken. Hij is vooral bekend om zijn driedimensionale stedelijke maquettes. Hij maakte de bouwkundige modellen voor de steden Briançon, Saint-Omer, Bergen op Zoom, Rijsel, Aire-sur-la-Lys, Antibes en Oudenaarde.

Er waren eerder nog 2 maquettes van Oudenaarde gemaakt. Die maquettes van de eerste generatie werden rond 1670 tijdens de fortificatiewerken van Vauban in opdracht van Louvois gemaakt. Deze maquettes zijn verloren gegaan.

Nézot verbleef in 1746 in Oudenaarde en ontving 3.000 pond als voorschot voor de opmaak van een maquette. In 1747 stelde hij de maquette voor aan de koning die ze liet overbrengen naar het Louvre. Nézot kreeg de opdracht om een gelijkaardige maquette van Antibes te bouwen.

De maquette van Oudenaarde op schaal 1/600 bestaat uit 11 delen en meet 5,48 m x 4,16 m. Het kasteel van Pamele, de kerken en het stadhuis werden op schaal 1/500 gemaakt om hun leesbaarheid te vergroten. Gebouwen in de omgeving van belangrijke gebouwen werden bewust kleiner gemaakt (tot 1/800) of zelfs volledig weggelaten. Bomen werden daarentegen groter afgebeeld (1/400). Schepen en kanonnen werden zelfs op schaal 1/200 gemaakt. Opmerkelijk is dat de maquette van Oudenaarde een stad in beweging toont, daar waar andere maquettes geen spoor van leven tonen. De meeste gebouwen zijn op de dag van vandaag verdwenen. Uiteraard zijn er nog heel wat historische gebouwen bewaard gebleven. Er mag worden aangenomen dat de afbeelding van het platteland ook waarheidsgetrouw is gebeurd omdat ook de kennis van de bewoning en beplanting hun militaire waarde hadden. Opvallend is dat de fontein op de Markt niet is afgebeeld. Waarschijnlijk is deze verloren gegaan. Een andere merkwaardigheid is dat de maquette nog volledig authentiek is en nog nooit werd gerestaureerd.

Het Oudenaardse plan-relief moet gekoesterd worden. Een beeld zegt soms veel meer dan duizend woorden …

Plan-relief van Oudenaarde - Palais Beaux-Arts Lille