De politieke gezagsdragers van Oudenaarde en Pamele

Op het einde van de 15de eeuw waren Oudenaarde en Pamele nog twee aparte stadskernen met elk een eigen poorterij en met elk hun eigenheid.

Het bestuur van de dubbelstad was in handen van de politieke elite, de machtselite. Enkel de belangrijke stedelingen, de maiores, optimi of notabelen genoemd, behoorden tot deze elite. Het waren personen van de traditionele families, de oude geslachten en lieden die waren opgeklommen tot dit niveau. Leden van de politieke elite konden ook behoren tot de intellectuele, professionele, religieuze, sociaal-culturele, financieel-economische en/of vermogenselite.

Pamele

Pamele was een onderdeel van een heerlijkheid, namelijk de baronie waar de heer van Pamele aan het hoofd stond. De heer bestuurde Pamele samen met een schepenbank.

De schepenen van Pamele werden de gezworenen of de derde wet genoemd. Ze waren met 7 en werden jaarlijks op Onze-Lieve-Vrouw Lichtmis rechtstreeks door de heer van Pamele aangesteld, zonder dat er vorstelijke commissarissen aan te pas kwamen. Dit illustreert de grote macht van de heer, die zonder tussenkomst van de vorst, met totale willekeur kon handelen.

Om gezworene te kunnen worden, moest men het poorterschap van Pamele hebben.

Wat waren poorters? Poorters waren burgers die het recht verworven hadden om binnen de poorten van een plaats met stadsrechten te wonen. Men kreeg dit poorterrecht of burgerschap door zich laten registreren bij een magistraat van de stad en door een zekere som geld te betalen. Men moest immers bewijzen dat men niet armlastig was en in zijn eigen onderhoud kon voorzien. De gehele burgerij van een stad wordt soms poorterij genoemd. Een buitenpoorter was iemand die de burgerrechten van een stad had, maar buiten het gebied van de stad woonde. Om het buitenpoorterschap te krijgen, moest men poortersgeld betalen.

Men kon niet 2 jaar na elkaar gezworene worden. Als er te nauwe familieverbanden tussen 2 poorters (bijvoorbeeld tussen vader en zoon, tussen volle neven, …) bestonden, kon er maar 1 gezworene worden. De schepenen moesten een goede naam en faam hebben. Poorters die zich in het verleden vergrepen hadden aan diefstal, valsmunterij, woeker, of tegen wie klachten waren ingediend, konden geen gezworene worden.

De gezworenen hadden enkel bevoegdheid binnen de stad Pamele, niet over de heerlijkheid. Pamele was aanvankelijk een volwaardige stadskern, waar de schepenbank dezelfde bevoegdheden had als de 2 schepenbanken in Oudenaarde (zowel de criminele als de civiele rechtspraak). Geleidelijk aan werden bevoegdheden ingeperkt. Hierdoor werd de macht van de heer van Pamele aangetast. Het proces duurde eeuwen en eindigde in 1593. Zo werd de criminele rechtspraak vanaf 1226 overgeheveld naar de schepenen van Oudenaarde en hadden de gezworenen enkel nog bevoegdheid in de burgerlijke rechtspraak. In 1384 werden de baljuwschappen van Pamele en Oudenaarde verenigd. Er ontstonden diverse bevoegdheidsconflicten tussen de heer van Pamele en de Oudenaardse schepenen. Hier kwam een einde aan in 1593 toen Pamele en Oudenaarde bestuurlijk samensmolten.

In Pamele hadden de gezworenen de bevoegdheid om de weesgoederen te verdelen en de tiende penning te heffen, ook in niet-poorterlijke sterfhuizen. Ze mochten de staten van goed van poorters van de stad Pamele opstellen. Als poorters buiten Pamele overleden, hadden de gezworenen ook het recht kennis te nemen van het sterfhuis. Het heffen van de tiende penning, een belasting van 10% op iemands bezittingen, werd geheven op de bezittingen van poorters van Pamele die zichzelf door huwelijk ontpoorterden, of van poorters die poorter werden van een andere stad. Deze belasting werd ook geheven bij niet-poorters die erfden van poorters van Pamele alsook bij het overlijden van niet-poorters in Pamele.

Daarnaast konden de gezworenen nieuwelingen als poorter van Pamele aanvaarden.

De bestuurlijke en wetgevende macht werd in Pamele uitgeoefend door de Oudenaardse schepenbank. De magistraat van Oudenaarde oefende het dagelijks bestuur uit over zowel Pamele als Oudenaarde. De Oudenaardse schepenen maakten ordonnanties voor beide stadsdelen. Het was de taak van de baljuw van Pamele om toe te zien dat deze ordonnanties in Pamele werden nageleefd.

De machtsconcentratie lag bij een beperkt aantal families. Onder deze gezagsdragers was er een kleine topgroep die langer politiek actief was dan de rest. Het ambt van burgemeester werd enkel bekleed door voorname personen, mensen met veel aanzien. Het is daarom niet te verwonderen dat de voorzittersstoel bekleed werd door adellijke personen.

Oudenaarde

Schepenbank

In Oudenaarde waren er 2 schepenbanken. De leden van de eerste schepenbank werden gewoon schepenen genoemd, in tegenstelling tot de gezworenen van Pamele. De eerste in rangorde was de voorschepen of burgemeester. De leden van de tweede schepenbank te Oudenaarde werden de oppervoogden, of voogden van de caele, of voogden van de wezen genoemd. De eerste schepenbank bestond uit 7 leden, de tweede uit 4. Beide schepenbanken werden vernieuwd op Onze-Lieve-Vrouw Lichtmis. De aanstelling gebeurde in naam van de vorst door vorstelijke commissarissen, edelen van buiten de stad, waartoe de heer van Pamele ook behoorde. In dezelfde periode van de aanstelling controleerden de commissarissen ook de stadsrekeningen.

Deze commissarissen (over het algemeen met 3 waren meestal jaar na jaar dezelfden. Ongetwijfeld waren er banden met de stedelingen wat hun objectiviteit in vraag kan stellen. De vorstelijke commissarissen werden voor hun werkzaamheden vergoed door de stad.

Net zoals in Pamele moest men om schepen te kunnen worden, het poorterschap van Oudenaarde hebben. Men kon niet 2 jaar na elkaar schepen worden en indien er te nauwe familieverbanden tussen twee poorters bestonden, kon er maar één schepen worden in hetzelfde jaar. Poorters die criminele feiten hadden gepleegd, waren van het ambt uitgesloten. Bij de eedaflegging beloofde men goede en getrouwe schepenen te zijn.

De schepenen waren bevoegd in het oorspronkelijke Oudenaarde, haar vrijheid en ook in een deeltje van het land van Aalst. Ze hadden gezag over alle poorters, ook degenen die in de kasselrij woonden.

De eerste schepenbank oefende rechtspraak uit over alle poorters van de stad en ook over poorters buiten de juridische grenzen van de stad, namelijk de buitenpoorters op het platteland. De schepenen waren bevoegd in strafrechtelijke en burgerlijke zaken. Voor criminele zaken was de schepenbank bevoegd in beide stadsdelen. De willige rechtspraak behoorde ook tot het takenpakket van de schepenen. Bij deze voluntaire rechtspraak was er geen sprake van een geschil. Het gaat hier over het afleveren van attesten, het bekrachtigen van akten, het toezien op het beheer van goederen door derden en de voogdij over wezen.

De schepenen bezaten de wetgevende en bestuurlijke macht. Ze mochten statuten, voorgeboden en politie edicten uitvaardigen. Tevens moesten ze de stedelijke inkomsten en uitgaven controleren.

Verder mochten ze nieuwe poorters inschrijven. Men kon poorter worden door huwelijk, bij gift, bij koop, door verblijf van 1 jaar en 1 dag in de stad, en tenslotte door geboorte.

De schepenen hadden het feitelijke bestuur van de stad in handen. De schepenbank had tal van bestuurlijke taken. Op regelmatige tijdstippen werd het stadsbeleid besproken. Dit omvatte ook de organisatie van de inning van zekere belastingen, het aanwerven van stedelijke ambtenaren, de aanstelling van onderwijzers en vroedvrouwen, de werking van instellingen voor armen en zieken controleren, het regelen van het economisch leven in de stad, het zorgdragen voor de wegen en waterlopen, het beheren van stadsgronden en het verzekeren van de veiligheid van de stad (het uitbouwen van de versterkingen, rust en vrede garanderen in de stad, …).

De schepenzaal in het stadhuis

De schepenen zorgden voor inkomsten voor de stad. Ze verkochten renten als de stadskas noodlijdend was, verpachten accijnzen (de accijnzen op bier en wijn leverden het meeste op), verlootten de beste plaatsjes op de wekelijkse markt, incasseerden jaarlijks het poortergeld., legden boeten op, …

Ze hadden ook een aantal verplichtingen. Zo vergezelden ze onder meer de hertog op zijn militaire tochten, gingen ze naar Gent en Brugge om te weten te komen wat de grafelijke belastingen (de beden) moesten opbrengen, en trokken ze naar Ieper om Iepers laken aan te kopen.

De tweede schepenbank (oppervoogden) had bevoegdheid over de poorterlijke sterfhuizen (van de poorters van Oudenaarde in de stad en in de kasselrij) en stond onder het toezicht van de Raad van Vlaanderen. De oppervoogden moesten erop toezien dat in de vererving van de sterfhuizen de rechten van de wezen of minderjarigen gewaarborgd werden. Indien niet-poorters erfden van poorters dan inden de oppervoogden de tiende penning. Een andere taak van de oppervoogden was om geschillen tussen de erfgenamen van poorterlijke sterfhuizen op te lossen. De Oudenaardse oppervoogden waren gerechtigd om weesgoederen te verdelen en te beheren tot de meerderjarigheid van de betrokkenen.

De oppervoogden waren ondergeschikt aan de eerste schepenbank. Ze moesten eerst het advies aan de schepenen vragen vooraleer ze in een zaak een definitieve uitspraak konden doen of een definitieve beslissing mochten nemen.


De stadsontvanger was ongetwijfeld de belangrijkste ambtenaar. Hij beheerde de stedelijke financiën. De stadsrekeningen werden jaarlijks gecontroleerd door de vorstelijke commissarissen en nadien nog eens door de Rekenkamer. De stadsontvanger behoorde tot de politieke elite van de stad.

De stadsontvanger werd jaarlijks bij het vernieuwen van de schepenbank door de aftredende magistraat aangesteld. Meestal werd iemand die aftrad als schepen of oppervoogd verkozen. Men moest bemiddeld zijn om deze functie te kunnen uitvoeren. Indien de stadskas een deficit vertoonde, diende hij dit tekort te kunnen bijpassen met zijn eigen geld.

'De stadsontvanger’ door Marinus van Reymerswale



Een politieke elite

We mogen stellen dat op het einde van de 15de eeuw in Oudenaarde het stedelijk bestuur in handen was van een politieke elite, een kleine groep families, waaronder één topfamilie, namelijk de familie van der Meere.

Onder deze politieke families vinden we heel wat adellijke families terug. Oudenaarde had een hoog aantal edelen die binnen de stadsmuren woonden.

Heel wat van die edelen namen deel aan de politiek. Zo hoeft het uiteraard geen verwondering te wekken dat de vorstelijke commissarissen, die trouwens zelf van adel waren, de schepenen onder de edelen ging zoeken. De adellijke status van de beleidsvoerders gaf de stad een zeker prestige. Het ambt van burgemeester was enkel voor edelen bestemd.

De edellieden hadden de politieke touwtjes in handen

Binnen de groep van de lediggangers was er in Oudenaarde nog een kleinere groep van families die het politiek voor het zeggen hadden. Deze groep bestond uitsluitend uit edellieden. De belangrijke politieke ambten (schepen, oppervoogd, stadsontvanger, burgemeester) werden door deze kleine elitaire groep gemonopoliseerd.

Men voelde zich goed aan de macht. Getuige hiervan het feit dat de Oudenaardse politicus over het algemeen een lange carrière had.