Jan Jozef Raepsaet tijdens de Nederlandse tijd
Voorvechter van een terugkeer naar het ancien régime

Van zodra de verbondenen het voorlopig bestuur in de Zuidelijke Nederlanden had geïnstalleerd, trad Raepsaet opnieuw op de voorgrond voor het herstel van het ancien régime. Hij wilde een restauratie van de toestand van vóór 1794 en was voorstander van een terugkeer onder Oostenrijks gezag. Toen dit niet haalbaar bleek, schaarde hij zich achter de idee van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij wilde liever een sterke eenheidsstaat dan een lossere federatie van twee landsdelen.

Hij schreef zijn ideeën hierover neer en stuurde een uitgewerkte nota naar de koning. Hij pleitte daarin voor het herstel van de drie orden. Hij wilde het herstel van de clerus als eerste orde. Hij vond dat de clerus en de émigrés op zijn minst alle gronden moesten terugkrijgen die ze tijdens de revolutie hadden verloren. Dit zou een besparing voor de staat zijn omdat in dergelijk geval de clerus zelf in zijn onderhoud kon voorzien.

Na het lezen van de nota ontbood de koning in september 1814 Raepsaet voor een gesprek over de toekomst van het op te richten koninkrijk. Raepsaet wenste dat de terugkeer naar de machtsverhoudingen van vóór 1794 in de grondwet zou worden opgenomen. De koning bood hem een zitje in de Geheime raad aan, hetgeen Raepsaet weigerde.

In oktober ging Raepsaet een scherpe polemiek aan met Théordore Dotrenge, een voorstander van een rationeel geordende staat zonder voorrechten voor één of andere stand. Beide juristen werden in april 1815 tot lid van de grondwetscommissie benoemd, gelast met het opstellen van de Nederlandse grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden. Toen de Nederlandse voorzitter van de grondwetscommissie met de tekst van de ‘Acht Artikelen’ kwam aandraven, zag Raepsaet dat er over bepaalde fundamentele zaken geen beslissing meer kon/moest genomen worden. Hij was zwaar teleurgesteld.

Wat waren nu deze Acht Artikelen?

De Acht Artikelen van Londen van 21 juni 1814, waren een geheime overeenkomst tussen de grootmachten het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland om het huidige grondgebied van België en Nederland toe te kennen aan Willem I der Nederlanden, toenmalig soeverein vorst van het Vorstendom der Verenigde Nederlanden. Hij accepteerde deze toekenning op 21/07/1814.

Artikel 1: De unie zal vertrouwelijk en volledig zijn, zodat de twee landen slechts één enkele staat zullen vormen, onder de reeds bestaande grondwet van Nederland die met wederzijdse toestemming zal worden gewijzigd waar nodig.

Artikel 2: Er zal geen verandering in die artikelen van de grondwet zijn welke aan alle godsdiensten gelijke bescherming en voorrechten verzekeren en de toelaatbaarheid waarborgen van alle burgers, onafhankelijk van godsdienst, aan openbare betrekkingen en waardigheden.

Artikel 3: De Belgische provincies zullen op een evenredige manier vertegenwoordigd worden in de Generale Staten, wier zittingen, in tijd van vrede, beurtelings in een Nederlandse en Belgische stad gehouden zullen worden.

Artikel 4: Alle inwoners van Nederland aldus hebbende gelijke constitutionele rechten, zullen gelijke voorrechten hebben op alle commerciële en andere rechten waartoe hun omstandigheden aanleiding geven, zonder enig belemmering of obstakel op te leggen aan om het even welk profijt van anderen.

Artikel 5: Onmiddellijk na de vereniging, zullen de provincies en de steden van België worden toegelaten tot de handel en de navigatie van de Kolonies van Holland op de zelfde basis als de Nederlandse provincies en de steden.

Artikel 6: De schulden aangegaan enerzijds door de Nederlanders en anderzijds door de Belgische provincies zullen ten laste komen van de openbare schatkist van Nederland.

Artikel 7: De uitgaven vereist voor het bouwen en onderhouden van de grensvestingen van de nieuwe Staat zullen gedragen worden door de openbare schatkist als betreffende de veiligheid en de onafhankelijkheid van alle provincies van de gehele natie.

Artikel 8: De kosten van de aanleg en het onderhoud van de dijken zullen gedragen worden door de direct betrokken districten, behalve in het geval van een buitengewone ramp.

Raepsaet beschouwde deze artikelen als een poging om de Nederlandse superioriteit van het Noorden te bevestigen en de enorme schuld van het Noorden voor de helft op het Zuiden af te wentelen. Ondanks zijn ontgoocheling wilde Raepsaet consequent meewerken in de grondwetscommissie en pogen er het maximum uit te halen voor de Zuidelijke Nederlanden. Hij ging akkoord met het voorstel van de Merode om met alle Belgische commissieleden samen te komen en te proberen met een gezamenlijk standpunt naar buiten te komen.

Raepsaet nam in de grondwetscommissie meestal radicale standpunten in. Zo kantte hij zich tegen het voorstel om aan de koning het recht te geven in vredestijd grondgebied af te geven en om van Amsterdam de hoofdstad te maken. Hij wierp zich op als voorstander van een tweekamerstelsel. Wat de staatsfinanciën betreft, was hij voorstander van de opsplitsing van de begroting in een gewoon en een buitengewoon gedeelte. Raepsaet schaarde zich achter de meerderheid van de Zuidelijke leden die voor een vertegenwoordiging in verhouding tot het bevolkingsaantal was.

Toen de commissie de godsdienstige thema’s wilde bespreken, kwam het bericht binnen van de inval van Napoleon. Raepsaet vreesde dat hij Oudenaarde niet meer zou kunnen bereiken en vroeg aan de koning de toelating om zo snel mogelijk naar huis bij zijn familie te mogen gaan. Hij kreeg vrij snel de toestemming omdat de vorst wist dat de besprekingen over de godsdienstige materies vlotter zouden verlopen zonder de aanwezigheid van Raepsaet.

De oorspronkelijke grondwet van 1814

Hoewel Raepsaet bij volmacht het grondwetsproject ondertekende en dus impliciet instemde met het bereikte resultaat, liet hij niet na de goedkeuring ervan te bemoeilijken. In de zomer van 1815 wendde hij zijn gezag aan om de goedkeuring van de grondwet in Oudenaarde te beletten. Van de 17 Oudenaardse notabelen die over het grondwetsproject stemden, waren er 13 die een negatieve stem uitbrachten. Raepsaet voerde propaganda tegen de nieuwe grondwet.

Ondanks de kritiek bood Willem I hem het lidmaatschap van de Tweede Kamer aan, wat Raepsaet weigerde omdat het afleggen van de eed op de grondwet in strijd was met zijn geweten. Daarop benoemde Willem hem tot staatsraad in buitengewone dienst. Op die manier kon de koning Raepsaet zijn advies inwinnen. In 1816 werd hij ook lid van de commissie die het gemeentebestuur van Oudenaarde moest samenstellen, maar zelf werd hij geen lid van dat bestuur. Hij werd voor korte tijd lid van de Provinciale Staten van de nieuwe provincie Oost-Vlaanderen, die het Scheldedepartement verving.

In het voorjaar van 1818 werd tegen Raepsaet een gerechtelijk onderzoek geopend. Hij zou opruiende geschriften hebben ontvangen van de gevluchte Gentse bisschop de Broglie en zou die verspreid hebben. Hij zou ook priesters tot ongehoorzaamheid hebben aangezet. Het onderzoek bevestigde de beschuldigingen en Raepsaet werd voortaan scherp in het oog gehouden. Hij verdween van het politieke toneel.

Raepsaet was wegens zijn leeftijd niet meer in staat actief te zijn aan de balie. Zijn inkomsten verminderden zienderogen. Toch had hij nog een grote gezinslast te dragen. Daarom vroeg hij in 1823 een pensioen aan. Hij ging zijn dossier bepleiten bij de koning en stuurde hem nadien een uitgebreide versie van zijn verzoekschrift. In januari 1824 kreeg hij een negatief antwoord. Het negatief advies van de Oostvlaamse gouverneur, graaf de Lens, speelde hierin een grote rol. De gouverneur noemde Raepsaet een ‘muiteling’ en een opstandeling. Hij verwees naar diens overhaaste vertrek uit de grondwetscommissie en de weigering om de eed op de grondwet af te leggen.

Raepsaet werkte in 1827 nog mee aan brochures over de vrijheden van de Nederlandse (Belgische) kerk en over de onderwijsvrijheid, maar was toen al een hele tijd uit de politieke actualiteit verdwenen.

Toen de Belgische revolutie ontstond, was Raepsaet tachtig en hield hij zich afzijdig. Niemand van de familie werd in het Nationaal Congres verkozen. Hij stuurde wel enkele historische nota's (met adviezen voor de leden) naar het Nationaal Congres. Hij pleitte voor een volledige vrijheid van vereniging en voor een gedecentraliseerde, niet al te sterke staat.

De grondwet van 1831 beviel hem veel meer dan die van 1815.

De vermindering van invloed in de periode 1815-1830 compenseerde Raepsaet door zijn toegenomen activiteit op het vlak van geschiedschrijving en cultuur.

In 1814 werd hij lid van de literaire afdeling van de
Société des Arts in Gent en in 1816 werd hij lid van de heropgerichte Koninklijke Academie van Wetenschappen en Fraaie Letteren (de voorloper van de Koninklijke Academie). Hij was een medewerker aan de Annales Belgiques des Sciences, Arts et Litérature en aan de Messager des Sciences et des Arts. In 1824 werd hij voorzitter van de Oudenaardse commissie 'ter bewaring van de gedenkstukken van kunst en geschiedenis'. In 1827 werd hij lid van de jury voor de prijsvraag over de vaderlandsche geschiedenis.

Hij schreef een reeks rechtshistorische, historische en politieke werken. Zijn verzameld werk werd tussen 1838 en 1841 in Gent in het Frans uitgegeven. Eén van zijn leerlingen was de Brusselse advocaat en rechtshistoricus Auguste van Dievoet.

Patriot Jan Jozef Raepsaet stierf op hoge leeftijd op 09/02/1832, na een rijk gevuld leven, waarin hij zijn idealen steeds trouw gebleven was. Hij was een ‘groot’ Oudenaardist, misschien wel de grootste ooit.

Grafmonument van J.J. Raepsaet in de Sint-Walburgakerk van Oudenaarde