Het Spei

Langs de Schelde werden in de middeleeuwen molens opgericht. In Oudenaarde ontstonden eveneens diverse molens op onder meer de Burgschelde en de Grachtschelde.

Om deze molens te kunnen aandrijven was een heel stel van sluizen nodig die het water ophielden en het met de nodige kracht tegen de raderen duwden. Wellicht had het Spei (reeds vermeld in 1155 … of ging deze vermelding over een spei dat gelegen was aan de Viermolen?) dezelfde rol en was er een verband met de molens. De molens konden maar werken indien ze voldoende stuwkracht hadden. Het debiet van de Schelde hing volledig af van de weersomstandigheden (regen of niet). Er waren grote seizoenverschillen. Door de bouw van een ‘stuw’ kon men het waterpeil enigszins onder controle houden. Op de plaats waar het verval het grootst was en de waterkracht het sterkst, werden molens gebouwd. Het Spei was de enige stuw tussen Doornik en Gent. Hiermee kon onmogelijk het waterpeil voor een grote Scheldezone geregeld worden.

Het Spei afgebeeld in de Vieil Rentier d’Audenarde, een renteboek of grondregister van het einde van de 13de eeuw
(© stadsarchief Oudenaarde)

In de geschiedenis van het Spei zien we dat in 1446 het Spei, dat tot dan nog van hout was, vervangen werd door een stenen constructie. In de 17de en 18de eeuw werden sluizen vooral gebruikt om het waterdebiet te regelen, meer bepaald van de hoge wateren, en om overstromingen te vermijden. Hun rol voor de scheepvaart was blijkbaar van minder belang.

Het Spei was dus een ‘stuw’ (ook overdracht of regelbare overtoom genoemd) die ter hoogte van de Grachtschelde het water ophield. In de onmiddellijke nabijheid stond een grote watermolen die van het opgestuwde water profiteerde. Het Spei werd te Oudenaarde ook gebruikt als schutsluis, waarbij de Schelde tussen 2 dammen tot een vernauwing gekanaliseerd werd. Daar werd het waterpeil van de Schelde geregeld door een stel horizontale balken in de 2 gleuven van de vernauwing neer te laten of op te trekken. Zowel voor de stroomopwaartse als stroomafwaartse richting was een stelsel van windassen nodig om de schepen te geleiden en te trekken. De boten werden gesast of getrokken naargelang de vaarrichting.

De doorvaart stroomafwaarts was gemakkelijker doch gevaarlijker wegens de snelheid en de onbestuurbaarheid van de schepen. Het hoogteverschil zou echter nooit meer dan 1,5-2 m geweest zijn. Het systeem was rudimentair en zelfs primitief. Het water werd opgestuwd, door stuwbalken neer te laten. Als het peil hoog genoeg was, werden de balken weggenomen en stroomde het water met groot geweld door de opening. Dat was het moment om de schepen door te laten. Via een kabelsysteem werden de schepen zo voorzichtig mogelijk neergelaten. De nodige behendigheid was vereist om onder de bogen van de Hoge Brug door te varen.

Aan het Spei waren een aantal specifieke ‘officiën’ verbonden. De gathouder was verantwoordelijk om de schepen door het Spei (het gat) af te laten of op te trekken. Er waren hiervoor 20 mensen aangesteld. Dit werk werd vaak gecombineerd met andere opdrachten zoals losser, wijnschrooder (dokwerker die vaten wijn uit Frankrijk loste) en korenmeter. Naast de gathouder was er het officie van de boomtruyckere. 8 mensen waren verantwoordelijk voor het openen en sluiten van het Spei door de balken respectievelijk op te halen of te laten zakken.

In de 19de eeuw is bekend dat men op vrijdag de schepen doorliet, nadat men de stuw de hele dag gesloten had gehouden. Het was noodzakelijk op deze plek de waterstand hoger te krijgen omdat de Schelde zich te Oudenaarde in talrijke kleine kanaaltjes vertakte en er zich bijgevolg plaatselijk een vrij plots niveauverschil voordeed. Het opgehouden water werd afgevoerd en op die golf dreven platbodems en vlotten stroomafwaarts tot aan de volgende versperring. Deze scheepvaart per watersprong (par bond d’eau, lâchure) gebeurde één keer per week en altijd in konvooi. Zo’n wateraflating lokte veel volk.

Voor het opwaartse scheepverkeer werd een andere halve dag per week (welke weet men niet) voorbehouden. De boten moesten achter elkaar langs de rechteroever wachten. Dit systeem bleef onbegrijpelijk tot diep in de 19de eeuw bestaan. Het moderne sluizensysteem, met dubbele deuren, werd in de 17de eeuw bij nieuwe kanalen al toegepast. Op het einde van de 18de eeuw kwam het overal in gebruik, maar blijkbaar niet te Oudenaarde. Nochtans was er in 1743 reeds sprake van de bouw van een klassieke sluis met deuren, maar de schippers waren ertegen gekant. De gilde der schiptrekkers en speyhouders van Pamele had haar voorrechten om het trekken van de schepen en de doorvaart vanhet Speygat te Pamele te regelen. Op oude kaarten ziet men op de plaats van het Spei een grote komvorm (reeds in de 13de eeuw op een afbeelding waarneembaar).

Prachtige oude foto van het vroegere Spei - bijna alles op deze foto is ondertussen verdwenen

Werd deze kom gegraven of is deze ontstaan en gevormd door het neervallende water? Was dit het enige Spei? Er is iets te vinden voor de stelling dat de
verbreding achter de Viermolen waarschijnlijk de oudste speikom van Oudenaarde was en dat de latere speikom is ontstaan door een aftakking van de oude Scheldeloop. De latere nieuwe speikom zal niet meer zo gevaarlijk geweest zijn als de eerste.

In 1765 vaardigde keizerin Maria-Theresia een ordonnantie uit waarbij in de toekomst overstromingen prioritair vermeden moesten worden omdat zij enorme schade aan de landbouw toebrachten. Met een edict werd een systeem uitgewerkt waarbij, rekening houdend met de verzuchtingen van de scheepvaart, de sluizen diverse keren per week op vaste dagen geopend of gesloten moesten worden, Deze regeling betrof het Spei in Oudenaarde en de sluizen van Doornik en Antoing. Er werden lokale sluiscommissarissen aangesteld om de goede werking te verzekeren.

In 1775 bouwde men in de Schelde in Oudenaarde een constructie om het water naar een zandbank bij het Spei te richten om deze door de stroming te laten wegspoelen. In 1776 werd op de rechteroever een afleidingsgracht gedolven en werd op de linkeroever een aftakking gemaakt van een gracht tussen de Meerspoort en de hazegatsluis. De bestaande waterlopen werden gekuist. De Belle Fidèle (Meerspoortbrug), waar de Schelde Oudenaarde binnenkwam, had net zoals het Spei een balkensysteem waarmee men het water van de Schelde kon ophouden. Aangezien de balken toen niet doorliepen tot tegen de bodem, waardoor een volledige afsluiting van de Schelde niet mogelijk was, werden de uitsparingen waarin de balken lagen dieper uitgehakt.

Ondanks alle maatregelen konden de overstromingen niet genoeg bedwongen worden. Daarom werd in 1777 het Spei ontdubbeld. Er werd beslist het spei zelf te verbreden door ‘ten suytcante van het oud speij eene tweede openinge ofte soo men het noemt een tweede speij aan te leggen’. Dit werd eerder ingegeven door het beheersen van het waterdebiet en het afwateren bij sterke regenval, dan door het bevorderen van de scheepvaart. Op het oudst gekende kadasterplan van Oudenaarde (rond 1820) staan de 2 stuwsluizen aangeduid.

Pas in de jaren 1880 werd de ruim 700 jaar oude installatie vervangen door een klassieke sluis (zie postkaart). Om de sluis te kunnen aanleggen werd een ‘afleidingskanaal’ (de Vaart) gegraven tussen Oudenaarde en Leupegem (Tonkin). De Vaart diende van 1883 tot 1887 en werd pas in de tweede helft van de 20ste eeuw grotendeels gedempt. Dankzij dit kanaal werden de inwoners van Pamele minder getroffen door overstromingen. Vroeger ‘overweldigden de golven van tijd tot tijd zodanig de Pamelewijk, dat de inwoners zich van bootjes moesten bedienen om onderling in betrekking te komen.’ Enkel het stuk van de Vaart tussen de Schelde aan de Eindries en de Bergstraat bleef behouden. Momenteel is hier de jachthaven gevestigd. Naast de werken aan de nieuwe sluis werden kaaimuren aangelegd en werd een nieuwe brug ter hoogte van de Kasteelstraat opgetrokken.

Toen na de vernieling van de oude sluis op de Louise-Mariekaai in 1918 in de jaren 20 een nieuwe sluis op de Schelde aan de Eindries werd gebouwd, zorgde dit na verloop van tijd voor een desastreuze verandering in het stadsbeeld. De Burgschelde verzandde (met geurhinder tot gevolg) en werd in 1957 gedempt. De Grachtschelde werd uiteindelijk in 1961 gedempt. Sommigen beweren dat de verplaatsing van de sluis stroomopwaarts buiten de oude stad doelbewust is gebeurd om de Burgschelde en Grachtschelde met opzet te doen verzanden. Een sluis stroomopwaarts vóór de stad zou deze gevolgen niet gehad hebben.

De sluis op de Eindries is nu nog in gebruik (postkaart)