In het verzet

In het bezette België droegen veel burgers hun steentje bij in het verzet tegen de bezetter. In tegenstelling tot de periode tijdens WO2 was het verzet tijdens WO1 in hoofdzaak ongewapend. Men smokkelde brieven naar het front, er was een verzetspers, gestrande geallieerde soldaten werden over de grens met Nederland gesmokkeld, en men verzamelde inlichtingen over het Duitse leger in het achterland van het front.

Zo’n 7.000 Belgen speelden hun inlichtingen door aan de geallieerden. Voor deze spionnen vormde het spoor hun front. Via het spoor werden Duitse divisies verplaatst en gereorganiseerd en werden nieuwe strijdkrachten en materiaal aangevoerd. Spionage onder de vorm van spoorwegobservatie was essentieel. Alle treinen werden op zo weinig mogelijk plaats en zo duidelijk mogelijk op papier neergepend aan de hand van een vastgestelde vragenlijst (uur, herkomst en richting, samenstelling van de trein, volgorde wagons, …).

Naast dit saaie, eentonige werk gingen de spionnen ook met de fiets de omgeving verkennen om te zien hoeveel Duitse soldaten er op rust waren. Ze gingen tevens naar cafés waar Duitse officieren of soldaten over de vloer kwamen. Zo hoopten ze het één en het ander te vernemen. De verzamelde info werd via een koerier naar een centrale verzamelplaats gebracht. Via het neutrale Nederland werden de boodschappen naar Engeland gesmokkeld en aan de geallieerden bezorgd.

Als de wind gunstig zat, werden ook ballonnen gebruikt om de informatie over het front naar de geallieerden te brengen. Ook duiven werden hiervoor ingezet. De Duitsers wisten dat natuurlijk ook en maakten jacht op alle reisduiven. Het was uiteraard verboden van thuis duiven te hebben en de overtreder werd zwaar gestraft en veelal verbannen naar een Duits werkkamp.

Daarnaast werden brieven naar het front gesmokkeld. Gestrande geallieerde soldaten werden naar Nederland gesmokkeld. Het was gevaarlijk werk want de Duitse contraspionage was zeer actief. Zo werd één spion op vier gearresteerd.

Ook in en rond Oudenaarde werden tijdens de Eerste Wereldoorlog inlichtingen verzameld door de spionagediensten. De gekendste Oudenaardse spion uit deze periode was Jozef Braet, een advocaat die vlakbij het station woonde. Een andere spionne was Irma Pharazyn, uitbaatster van het restaurant Au Prince Albert in de Stationsstraat, een belangrijke ontmoetingsplaats waar spionnen hun informatie uitwisselden. De zussen Madeleine en Marthe Doutreligne, dochters van de Oudenaardse dokter Robert Doutreligne, waren eveneens erg actief in het verzet. Andere spionnen die hier actief waren, zijn Romanie ’t Kindt, Alfred Algoet, Gaston Creemers, Constant Scheerlinck, Aloïs Van Gheluwe, René Verstichel, Aloïs Windels, …

Martha en Madeleine Doutreligne

Toen hun vader Robert (zie foto) opmerkte dat hij het spijtig vond geen zoon te hebben die zijn vaderland kon dienen, waren zijn dochters vastbesloten een rol van betekenis te spelen in het verzet en bij te dragen tot de strijd tegen de Duitsers. De zussen waren al heel vroeg bedrijvig en waren nuttige medewerksters in een spionagenetwerk. Vooral na de dood van Martha’s verloofde vormden ze een zeer goed georganiseerde groep die voor de Britse inlichtingendienst werkte.

Martha was verloofd met Jozef Baeckelmans, een architect uit Antwerpen. Bij de inval van de Duitsers vluchtte hij naar Engeland. Daar werd hij klaargestoomd om samen met zijn vriend Alexander Franck als spionnen terug te keren naar België en er een netwerk op te zetten. Dit netwerk werd vlug door de Duitsers gespot. Jozef Baeckelmans en Alexander Franck werden gearresteerd en in 1915 ter dood veroordeeld wegens spionage. Jozef werd op 23/09/1915 in Schaarbeek gefusilleerd. Een anekdote: Toen zijn familie afscheid van hem wilde komen nemen, werden ze buitengegooid. Ze waren nog maar net op straat toen ze de fatale schoten hoorden.

Dit persoonlijk drama zal Martha ongetwijfeld getekend hebben en haar verzet groter gemaakt hebben. Ze nam de activiteiten van het opgedoekte netwerk van haar verloofde over en had banden met onder meer de beroemde Brusselse spionne Gabrielle Petit (op 01/04/1916 geëxecuteerd).

De Duitsers kregen op een bepaald moment Martha in het vizier. Hierdoor was ze genoodzaakt haar werkzaamheden te stoppen en naar Nederland te vluchten. De Duitsers hadden langs de grens met het neutrale Nederland een goed bewaakte 332 kilometer lange draadversperring aangelegd, die onder dodelijke elektrische spanning stond. Het was geen sinecure deze ‘dodendraad’ (zie foto) te passeren. Toch lukte het Martha. Ze werd uiteindelijk met een onderzeeër naar Engeland gebracht.

Madeleine had een spionagenetwerk dat vooral treinen in de gaten hield. Zij wilde meer en zocht contact met brouwer Tsjoen in Wannegem-Lede die door zijn beroep de streek mocht doorkruisen en zelfs in de kastelen kwam die door de Duitse militaire staven bezet waren (Nokere, Kruishoutem en Wannegem-Lede). Madeleine vormde een spionagegroep met betrouwbare mensen. Deze groep was bij de Britten gekend onder het nummer 8540. De leden waren jachtopziener Fons Bartsoen, brouwer Charles Tsjoen, gemeentesecretaris Jan Gabriels en koster Remi Tsjoen. Het nummer was de afspiegeling van het aantal kinderen dat zij respectievelijk hadden.

Eén van Fons zijn taken was de duifjes te vinden die met een parachute door geallieerde vliegtuigen werden gedropt. Deze ingepakte duifjes hadden een capsule bij met een briefje om inlichtingen te noteren. Als men ze losliet vlogen die automatisch terug naar hun eenheid in de frontstreek. Charles legde overal waar hij kwam zijn oor te luisteren om zoveel mogelijk bruikbare informatie in te winnen. Jan was goed op de hoogte van de juiste identiteit en getalsterkte van de gestationeerde troepen. Remi (broer van Charles) deed allerlei karweitjes en verzorgde de duifjes in de kerktoren waar hij ze verborgen hield.

Het hoofddoel van de spionagegroep was het signaleren van de troepenverplaatsingen naar of van het front.

Madeleine Doutreligne werd op een bepaald moment aangehouden en in december 1916 zelfs ter dood veroordeeld. Onder impuls van haar vader diende het stadsbestuur van Oudenaarde een genadeverzoek in bij de Duitse overheid en vroeg de doodstraf om te zetten in levenslang. Er werd beweerd dat de toenmalige Spaanse regering (koning Alfons XIII) eveneens een genadeverzoek had ingediend. Dit verzoek werd door de bezettende macht aanvaard en Madeleine overleefde uiteindelijk het slechte gevangenisregime en de dwangarbeid in de gevangenis van Siegburg (zie foto) waar zij voor de rest van de oorlog naar verbannen was.

Groep 8540 bleef operatief. Een succesvolle operatie van de groep was de vernietiging van de installaties van het reservevliegveld te Wortegem, gelegen in een driehoek ten noordwesten van de weg Wortegem-Kruishoutem, de hoeve Te Wallem en de hoeve van Van Cauwenberghe. Brouwer Tsjoen had gemerkt dat er snel loodsen bijkwamen waarin zowel munitie als andere bevoorrading in opgeslagen werden. In de zomer van 1917 werden de omwonende boeren verplicht alle hoogstammige bomen af te zagen en al de landerijen mooi effen te leggen.
Eenmaal de loodsen klaar en goed gevuld waren, was het moment gekomen om, van zodra de wind goed zat, de geallieerden te verwittigen. De 2 Duitse soldaten die de brouwer verplicht moest huisvesten, werden dronken gevoerd. Toen deze uiteindelijk uitgeteld waren, werd een ballon met CO2 opgeblazen en met de nodige informatie opgelaten. 2 dagen later bombardeerden Britse vliegtuigen de ganse installatie die knallend de lucht inging.

Brouwer Charles Tsjoen werd later naar de Kommandantur geroepen voor verhoor. Men kon hem niets ten laste leggen. Voortaan was het evenwel opletten geblazen!

Jozef Braet

Jozef Braet werd op 21/06/1882 in Gent geboren. Na zijn studies rechten vestigde hij zich als advocaat te Oudenaarde, waar hij op 27/07/1906 met Julia De Ruyter huwde. Ze kregen 2 dochters, Yvonne en Madeleine.

In december 1914 werd hij via Alfred Algoet, een wachtmeester bij de rijkswacht, als spion gerekruteerd bij het inlichtingennetwerk ‘Ambulants et Gendarmes’.

Deze Algoet had in september 1914 van zijn oversten de opdracht gekregen om in de door de Duitsers bezette zone te blijven en de directie in Vlissingen op de hoogte te houden van de bewegingen van de Duitse troepen. Dit was een wijdverspreid inlichtingennetwerk van het Belgisch leger. Algoet rekruteerde een gepensioneerde rijkswachter, Aloïs Van Gheluwe, en zijn zoon Leon. Braet verzamelde inlichtingen en voerde samen met zijn vrouw Julia observatieopdrachten uit. Hij functioneerde ook als doorgeefluik voor andere spionnen in Oudenaarde.

In november bracht Algoet de leiding van zijn groep over naar Oudenaarde omdat het van daaruit gemakkelijker was observatieverslagen naar Vlissingen te sturen. Er kwamen nog andere agenten bij de groep. Het netwerk groeide steeds verder uit en telde een 6-tal posten die de spoorlijn in Kortrijk, Oudenaarde en omgeving in het oog moesten houden. De territoriale observatiediensten werkten goed, net als de koerierdienst die de communicatie tussen Kortrijk en Gent moest verzekeren. De efficiëntste koerier was Aloïs Windels. De inlichtingen werden overgebracht naar het hotel Au Prince Albert (dat als commandopost moest dienen) en naar de doorgeefluiken in Gent. Speciale koeriers in Gent sluisden dan de inlichtingen door naar Vlissingen. Eén van die koeriers bleek later een dubbelspion te zijn.

De Duitsers slaagden erin een aantal keren het netwerk op het spoor te komen en enkele kopstukken op te pakken. De overblijvende spionnen hernamen dan hun werkzaamheden. In zo’n nieuwe structuur kreeg Braet de taak om de verslagen van Oudenaarde naar Gent te brengen. In 1916 ontmaskerde de Duitse contraspionage het netwerk. De Belgische leiding in Vlissingen had begin maart in de mot dat Algoet verbrand was en vroeg hem naar Nederland te vluchten en zijn adjunct Aloïs Van Gheluwe de leiding te geven. Hij werd in de val gelokt en op 28/03/1916 aangehouden. Hij verklikte op een zeer naïeve manier de andere leden van de groep. De ene arrestatie volgde op de andere.

Jozef Braet werd op 06/04/1916 bij hem thuis aangehouden en voor ondervraging naar Kortrijk overgebracht. In het station van Oudenaarde passeerde hij burgemeester Raepsaet die snel begreep wat er aan de hand was. Hij verwittigde de familie. ’s Anderendaags werd Braet onder strenge bewaking naar de Nieuwe Wandelling in Gent overgebracht. Daar werd hij tijdens zijn eerste nacht wakker van de schoten van het executiepeloton. Hij was in de hel beland!

Tijdens zijn gevangenschap (in een cel van amper 2,5 m op 1,5 m) hield hij een dagboek bij waarin hij het dikwijls had over de terdoodveroordeelden en over zijn eigen angsten.

Op 15/04 ontving hij de eerste voedselpakketten van zijn vrouw en zijn broer uit Gent.

Op 16/04 werd hij samen met mevrouw Wante, een dame uit Kortrijk die hem regelmatig inlichtingen bracht, aan een kruisverhoor onderworpen. Mevrouw Wante stortte in en legde volledige bekentenissen af.

Op 02/05 werd Braet opnieuw ondervraagd. De bewijzen waren overduidelijk en Braet gaf alles toe nadat zijn bejaarde moeder, zijn vrouw en zijn broers waren aangehouden. Na de bekentenissen werden zij vrijgelaten.

Op 11/05 werd hij naar een andere cel overgebracht.

Op 15/05 werd hij ondervraagd over bepaalde artikels in sluikbladen en over een geheime leeszaal voor Franse en andere vreemde dagbladen.

Op 25/05 werd hij eindelijk door de Krijgsauditeur ondervraagd en bevestigde hij zijn eerdere bekentenissen. Aangezien het onderzoek nog niet afgelopen was, mocht hij nog steeds zijn familie niet zien. Dit zou pas gebeuren na de uitspraak in zijn proces. Toch probeerde hij zoveel mogelijk aandacht te schenken aan zijn dochters en vrouw.

Op 21/06, zijn verjaardag, kreeg hij van zijn dochters een lief briefje.

Op 27/06 verscheen Jozef met 17 medegevangenen voor het Duitse krijgsgerecht. De dag nadien viel de uitspraak. Jozef werd samen met 5 kompanen ter dood veroordeeld. Na de uitspraak kon hij regelmatig zijn familie en gezin terugzien.

Tevergeefs probeerde hij gratie te krijgen.

Na het bezoek van zijn vrouw kreeg hij op 10/08 het bericht dat hij de volgende dag zou geëxecuteerd worden.

In het besef van zijn nakende dood schreef hij een pathetische afscheidsbrief:

Mijn duurbare Julia. Nauwelijks waart gij een kwart uurs van mij weggegaan, als ik het verschrikkelijke nieuws vernam: ik ben veroordeeld om morgen gefusiljeerd te worden. ’t Is vreselijk. Wat zal er geworden van u arme weduwe?
Arme lieve dochterkens, vaartwel, vaartwel…
Duurbare Julia, wat betreur ik het u te verlaten, u, zoo goed voor mij, zoo goed! … Troost u. Ik sterf als goed christen en als moedig man. Ik heb gansch mijn plicht gedaan. Blijf altijd goed voor mijn oude, teedere moeder; bemin onze verrukkelijke dochterkens en voed ze goed op; vergeet niet er waere Braets van de te maken. Beween niet te zeer uw echtgenoot die u aanbad: we zullen elkander wedervinden in den hemel.
Brave dochterkens, ik verlaat u wel met spijt, in den leeftijd waarop gij voor mij zoo belangwekkend werd. Bemint vurig uw goede moeder, verdubbelt uw genegenheid voor haar. Zij zal zoozeer behoefte hebben aan uw liefkozingen. Bemint zeer elkanderen de Goede God zal u zegenen. Weest altijd braaf, blijft immer rein. Vaartwel, mijn lieve dochterkens; ik verlaat u, al u zegenend.
Duurbare moeder, ik zal u dinsdag vieren, in gezelschap van mijn braven vader, van mijn broers en zusters, hierboven bij de Heilige Maagd. Ik zal veel voor u bidden, opdat God u de kracht geve, deze harde beproeving te doorstaan. Men heeft in de familie nog zoozeer behoefte aan uw wijze voorbeelden. Bid veel voor mij, duurbare moeder; gij zijt een heilige en de goede God zal u verhooren. Vaarwel, duurbare, goede en verkleefde moeder, vaarwel.
Vaartwel, welbeminde broeders en zusters. Bemint altijd zeer elkander. Het leven is zo kort … en we moeten zoo gauw aan God rekening geven over onze daden. Weest zolang mogelijk gelukkig hier op aarde en bemint zeer onze oude goede moeder. Vertroost haar en omsluit haar in uw genegenheid.
Een laatste vaarwel aan al mijn vrienden en kennissen.
Vaarwel, mijn aanbedene; vaartwel, mijn lievekens; ik ga mij voorbereiden om moedig en christelijk te sterven. Vaarwel, lief en teeder vrouwken; vaartwel, mijn jolige kinderkens; ik verzegel dezen brief met mijn tranen en mijn kussen.
Moed, vertrouwen, en bidt voor mij.

JOZEF.’

Jozef Braet werd samen met Algoet, Van Gheluwe, Windels, Mus en onderpastoor De Clercq (allen lid van het inlichtingennetwerk ‘Ambulants et Gendarmes’) op 11/08/1916 geëxecuteerd op de stedelijke schietbaan van Gent, die na de oorlog herdoopt werd tot de Orde der Gefusilleerden (zie postkaart). Het is vandaag een beschermd monument dat langs de Offerlaan ligt, een zijstraat van de Martelarenlaan.

In Oudenaarde kwam het nieuws van de executie hard aan. Iedereen had verwacht dat het genadeverzoek zou worden ingewilligd en hij tot dwangarbeid zou worden veroordeeld.

Kort na de oorlog werd als eerbetoon aan Jozef de Nieuwstraat in Bevere omgedoopt tot de Jozef Braetstraat.

Irma Pharazyn

Irma werd in Wortegem geboren op 17/10/1882 en verhuisde in 1909 naar Bevere om samen met haar zus Sidonie en haar huishoudsters Bertha en Zulma, het café-restaurant-hotel ‘Au Prince Albert’ in de Stationsstraat uit te baten (nu huist hier het restaurant Colosseo) (zie postkaart).

Op 08/08/1917 in de namiddag werd zij door de Duitse Geheime Politie thuis opgepakt. Ze werd een aantal keren ondervraagd over haar betrokkenheid bij spionage en over de mannen die in het café kwamen en die bleven overnachten. Ze werd beschuldigd om informatie over de Duitse troepenbewegingen te hebben doorgespeeld aan de geallieerde inlichtingendiensten. De Duitsers beweerden dat Irma in de loop van 1916 informatie had ontfutseld van Duitse officieren die met hun eenheid in Oudenaarde in rust waren en in haar hotel verbleven (en nadien naar het front in Verdun trokken).

Irma ontkende elke betrokkenheid en gaf toe wel een aantal bekende spionnen zoals Jozef Braet en Alfred Algoet te kennen, maar enkel en alleen als klant in het café en niet als spion. Na haar vierde ondervraging stopten de verhoren. Zij moest wachten op een proces dat ze nooit zou krijgen. Irma zou tot het einde van de oorlog gevangen blijven.

Later zou blijken dat zij wel degelijk een spionne was. René Verstichel verklaarde dat Irma deel uitmaakte van het spionagenetwerk Braet-Algoet en dat ze de inlichtingen die ze in het café hoorde, doorgaf aan het netwerk. Verstichel was een spoorwegbediende uit Oudenaarde die vaste klant was in het café van Irma. Hij was actief in het spionagenetwerk Pagnien-Goedhuys. Toen Jozef Braet aangehouden werd, stopte hij plots met zijn spionageactiviteiten. Uiteindelijk werd Verstichel in januari 1917 aangehouden. Tijdens zijn proces praatte hij één van de topmannen van het spionagenetwerk aan de galg. Ondanks zijn medewerking werd hij tot 15 jaar dwangarbeid veroordeeld. Na de oorlog trouwde hij met Irma Pharazyn.

Irma haar dochter Adrienne bevestigde in 2011 dat haar moeder zich wel degelijk via een list toegang wist te verschaffen tot het station van Oudenaarde om er inlichtingen te verzamelen over de troepen die naar Verdun trokken.

Irma was een voorbeeldgevangene. In haar brieven en in haar dagboek schreef ze niets over spionageactiviteiten. Ze was uitermate voorzichtig, en maar goed ook, want achteraf bleek haar celgenote een gevangene in Duitse dienst te zijn.

In vergelijking met anderen was het gevangenisleven in Gent voor Irma draaglijk. Ze kreeg regelmatig pakketten met eten en kleding van het thuisfront. Wat ze teveel had, deelde ze met haar medegevangenen die niets van thuis ontvingen. In de gevangenis van Gent bestond het dagelijks menu immers uit koffie met een halve boterham als ontbijt en ’s middags en ’s avonds een kom soep. Aangezien Irma over geld beschikte, kreeg ze dagelijks een diner dat in de buurt werd klaargemaakt.

Op 10/10/1917 verhuisde ze naar de gevangenis van Sint-Gillis (zie postkaart). Daar beschikte ze over een gasvuur om te koken. Tegen betaling kon ze bij de bewakers kranten, sigaretten, droogkuis, postzegels, een beter bed, brieven of kaarten kopen en zelfs een mesje om een potlood te scherpen.

Mentaal kreeg ze het zwaar. Na 6 maanden was er nog geen uitspraak over haar zaak en kreeg ze doemgedachten. Ze wist niet wat haar te wachten stond. De aanhoudende dreiging dat ze naar Duitsland zou worden gevoerd, maakte haar ziek van angst en verdriet.

Op 14/08/1918 werd ze naar de gevangenis van Diest overgebracht. Ze bleef in de gevangenis tot het einde van de oorlog.