De plattegrond van Oudenaarde werd een eeuw geleden bepaald door het kronkelende verloop van de Schelde en haar zij-armen, de Burgschelde en de Grachtschelde.
De
Burgschelde is vermoedelijk gegraven in de 11de of 12de eeuw als een afsnijding van de eerste grote Scheldebocht in functie van een castrum.
Ze was de administratieve grens en de grens tussen de rechtsgebieden van de stad. Het was echter geen grens tussen twee parochies of de bisdommen Doornik en Kamerijk.
De achtergebouwen van de Markt, Broodstraat en Einestraat keken uit op het water van de Burgschelde. Op de Burgschelde tussen de Broodstraat en de Krekelput stond een grote watermolen, nl. de Tweemeulen.
De
Grachtschelde bestond al vóór
1117 en was gegraven in functie van de bouw van watermolens. Ze
liep van de Krekelput naar de Schelde, in een L-vormig
tracé omheen de voormalige “refuge van de
abdij van Ename”.
Meer
over de refuge ...
Ter hoogte van de Krekelput en Tussenbruggen stond de Grachtmolen, een korenwatermolen op de Grachtschelde. Deze bestond reeds in de 13de eeuw en werd gesloopt in 1960.
De
Schelde is een trage rivier met een klein verval. Al vroeg werd deze voorzien van stuwsluizen en watermolens. Het Spei was één van de oudste stuwsluizen met molen te Oudenaarde, reeds vermeld in 1155. Oprichter was de heer van Oudenaarde, die tevens tolheffer was.
De oudste brug over de Schelde was oorspronkelijk van hout. Later werd een stenen exemplaar gebouwd (in 1275 reeds Steenbrug en nog later Hoge Brug of Hooge Steenbrugge genoemd).