De plattegrond van Oudenaarde werd een eeuw geleden bepaald door het kronkelende verloop van de Schelde en haar zij-armen, de Burgschelde en de Grachtschelde.

De Burgschelde is vermoedelijk gegraven in de 11de of 12de eeuw als een afsnijding van de eerste grote Scheldebocht in functie van een castrum.
Ze was de administratieve grens en de grens tussen de rechtsgebieden van de stad. Het was echter geen grens tussen twee parochies of de bisdommen Doornik en Kamerijk.
De achtergebouwen van de Markt, Broodstraat en Einestraat keken uit op het water van de Burgschelde. Op de Burgschelde tussen de Broodstraat en de Krekelput stond een grote watermolen, nl. de Tweemeulen.

De Grachtschelde bestond al vóór 1117 en was gegraven in functie van de bouw van watermolens.  Ze liep van de Krekelput naar de Schelde, in een L-vormig tracé omheen de voormalige “refuge van de abdij van Ename”. Meer over de refuge ...
Ter hoogte van de Krekelput en Tussenbruggen stond de Grachtmolen, een korenwatermolen op de Grachtschelde. Deze bestond reeds in de 13de eeuw en werd gesloopt in 1960.

De Schelde is een trage rivier met een klein verval. Al vroeg werd deze voorzien van stuwsluizen en watermolens. Het Spei was één van de oudste stuwsluizen met molen te Oudenaarde, reeds vermeld in 1155. Oprichter was de heer van Oudenaarde, die tevens tolheffer was.

De oudste brug over de Schelde was oorspronkelijk van hout. Later werd een stenen exemplaar gebouwd (in 1275 reeds Steenbrug en nog later Hoge Brug of Hooge Steenbrugge genoemd).
Burgschelde  
Hoge Brug

Aan de zuidoost-kant van de stad werd in 1882 op de vrijgekomen terreinen van de vesten een kanaal ("canal de dérivation") - de Vaart - als aftakking van de Schelde gegraven om de scheepvaart te verzekeren bij de vervanging van het Spei door sluizen op de Louise-Mariekaai. Meer over het graven van het kanaal via krantenartikels ...

Grote bedrijven zoals textielfabrieken waren ingeplant aan de waterwegen (bv. Gevaertfabriek aan de Coupure). De bouw van fabrieken en arbeidershuizen bepaalde de verdere ontwikkeling van het stadslandschap, denken we maar aan de Gevaertfabrieken en de Gevaertswijk.

Toen na de vernieling van de oude sluis op de Louise-Mariekaai in 1918 in de jaren 20 een nieuwe sluis op de Schelde aan de Eindries werd gebouwd, zorgde dit na verloop van tijd voor een desastreuze verandering in het stadsbeeld.

De Burgschelde verzandde (met een geurhinder tot gevolg) en werd samen met de Grachtschelde ca. 1960 gedempt. Sommigen beweren dat de verplaatsing van de sluis stroomopwaarts buiten de oude stad doelbewust is gebeurd om de Burgschelde en Grachtschelde met opzet te doen verzanden. Een sluis stroomafwaarts vóór de stad zou deze gevolgen niet gehad hebben.

In de eerste helft van de vorige eeuw werd de vestinggracht grotendeels gedempt.

In 1935 werden grootse werken uitgevoerd aan de Schelde. Van aan Pamelekerk tot aan de nieuwe sluizen op de Eindries werd de Schelde rechtgetrokken en werden kaaimuren gebouwd. Twee prachtige ophaalbruggen werden over de stroom gelegd, die pas in 1939 klaar waren (tijdens WOII werd de brug tussen de Kasteelstraat en de Louise-Mariekaai opgeblazen, de andere bleef gespaard).

In de jaren 60 werd de Schelde verbreed en rechtgetrokken ter hoogte van de Ham. Gevolgen waren o.m. de sloop van het kasteel van Bourgondië en het minderbroederklooster aan de Meerspoort in 1967. Ook de Achterburg was met dit doel bijna volledig met de grond gelijk gemaakt. De oude bedding van de Schelde op de Smallendam en aan de Meerspoort werd gedempt (1963-1970).

De Vaart werd, vanaf de brug in de Bergstraat, eveneens gedempt. De vrijgekomen gronden werden niet bebouwd.

In dezelfde periode werd de markt op spijtige wijze ontsloten door de afbraak van de huizen ten zuiden en oosten van de Walburgakerk om de toegang van de Westerring tot het centrum mogelijk te maken. Het gesloten karakter van de markt werd hierdoor teniet gedaan (ondertussen heeft het project Droesbeke, met het Centrum van de ronde van Vlaanderen, dit gat weer gedicht).
  Grachtschelde