|
Langs de Schelde
werden in de middeleeuwen molens opgericht. In de stad Oudenaarde
ontstonden eveneens diverse molens op o.m. de Burgschelde
en de Grachtschelde.
Om deze molens te kunnen aandrijven was een heel stel van sluizen nodig om het
water op te houden en het met de nodige kracht tegen de raderen te duwen.
Mogelijks had het Spei (reeds vermeld in 1155), waarvan de oudste tekening van
eind 13de eeuw dateert (zie hieronder), dezelfde rol en was er een verband met de molens.
Omdat de molens zouden kunnen werken, hadden deze voldoende stuwkracht nodig.
Het debiet van de Schelde hangt volledig af van de weersomstandigheden (regen
of niet). Er waren derhalve grote seizoensverschillen.
Door de bouw van een “stuw” kon men het waterpeil enigszins onder
controle houden. Op de plaats waar het verval het grootst was en de waterkracht
het sterkst, werden molens opgericht.
Het Spei was de enige stuw tussen Doornik en Gent. Hiermee kon onmogelijk het
waterpeil voor een grote Scheldezone geregeld worden.
In de geschiedenis van het Spei zien we dat in 1446 het Spei, dat tot dan nog
van hout was, vervangen werd door een stenen constructie.
In de 17de en 18de eeuw werden sluizen vooral gebruikt om het waterdebiet te
regelen, meer bepaald van de hoge wateren, en om overstromingen te vermijden.
Hun rol voor de scheepvaart was blijkbaar van minder belang.
In 1777 werd het Spei ontdubbeld. Er werd beslist het spei zelf te verbreden
door “ten suytcante van het oud speij eene tweede openinge ofte soo men
het noemt een tweede speij aan te leggen”. Dit werd eerder ingegeven
door het beheersen van het waterdebiet en het afwateren bij sterke regenval,
dan door het bevorderen van de scheepvaart. Immers in 1765 had keizerin Maria-Theresia
een ordonnantie uitgevaardigd waarbij overstromingen prioritair in de toekomst
vermeden moesten worden omdat zij enorme schade aan de landbouw toebrachten.
Op het oudst gekende kadasterplan van Oudenaarde (rond 1820) staan de twee
stuwsluizen aangeduid. |
|
|
Het
Spei was dus een “stuw”, ook overdracht of
regelbare overtoom genoemd, die ter hoogte van de Grachtschelde
het water ophield. In de onmiddellijke nabijheid stond
een grote watermolen die van het opgestuwde water profiteerde.
Het Spei werd te Oudenaarde ook gebruikt als schutsluis, waarbij de Schelde tussen
2 dammen tot een vernauwing gekanaliseerd werd. Daar werd het waterpeil van de
Schelde geregeld door een stel horizontale balken in de 2 gleuven van de vernauwing
neer te laten of op te hijsen.
Zowel voor de stroomopwaartse als stroomafwaartse richting was een stelsel van
windassen nodig om de schepen te geleiden en te trekken. De boten werden gesast
of getrokken naargelang de vaarrichting.
De doorvaart stroomafwaarts was gemakkelijker doch gevaarlijker wegens de snelheid
en de onbestuurbaarheid der schepen. Het hoogteverschil zou echter nooit meer
dan 1,5 – 2 m geweest zijn.
Het systeem was rudimentair en zelfs primitief.
Het water werd opgestuwd, door stuwbalken neer te laten. Als het peil hoog genoeg
was, werden de balken weggenomen en stroomde het water met groot geweld door
de opening. Dat was het moment om de schepen door te laten. Via een kabelsysteem
werden de schepen zo voorzichtig mogelijk neergelaten om vervolgens met de nodige
behendigheid onder de bogen van de Hoge Brug te varen. Een ander obstakel was
de brug bij de Meerspoort.
Het water werd een hele tijd opgestuwd. De schepen dienden te Oudenaarde derhalve
te wachten. In de 19de eeuw is bekend dat men pas op vrijdag de schepen
doorliet, nadat men de stuw de hele dag gesloten had gehouden. Het was noodzakelijk
op deze plek de waterstand hoger te krijgen omdat de Schelde zich te Oudenaarde
in talrijke kleine kanaaltjes vertakte en er zich bijgevolg plaatselijk een
vrij plots niveauverschil voordeed. Voor het opwaartse scheepverkeer werd een
andere halve dag per week (welke weet men niet) voorbehouden. De boten moesten
achter elkaar langs de rechteroever wachten.
Dit systeem bleef onbegrijpelijk tot diep in de 19de eeuw bestaan. Het moderne
sluizensysteem, met dubbele deuren, werd in de 17de eeuw bij nieuwe kanalen al
toegepast. Op het einde van de 18de eeuw kwam het overal in gebruik, maar blijkbaar
niet te Oudenaarde!
De gilde der schiptrekkers en speyhouders van Pamele had haar voorrechten om
het trekken van de schepen en de doorvaart van het Speygat te Pamele te regelen.
Op oude kaarten ziet men op de plaats van het Spei een grote komvorm (reeds in
de 13de eeuw op een afbeelding waarneembaar). Waren er sluizen ten noorden en
ten zuiden van de kom? Is de komvorm toevallig ontstaan door het bestaan van
een stuw ten zuiden en een brug ten noorden? Werd de komvorm gevormd door het
neervallende water? Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijke. |
|
 |
 |
 |
Boven: Hier
is duidelijk de kleine waterval te zien.
Rechts: Enige foto uit 1882 van het Spei. Nadien
werd het vervangen door een nieuwe sluis. |
|
Pas
in de jaren 1880 werd de ruim 700 jaar oude installatie
vervangen door een klassieke sluis. Om deze te kunnen aanleggen
werd een omleggingskanaal (“afleidingskanaal”)
gegraven tussen Oudenaarde en Leupegem (Tonkin).
De Vaart diende van 1883 tot 1887 en werd pas in de tweede
helft van de 20ste eeuw grotendeels gedempt. Dankzij deze
vaart werden de inwoners van Pamele minder getroffen door
overstromingen. Vroeger “overweldigden de golven van tijd
tot tijd zoodanig de Pamelewijk, dat de inwoners zich van bootjes moesten bedienen
om onderling in betrekking te komen”. Enkel het stuk van de Vaart tussen
de Schelde aan de Eindries en de Bergstraat bleef behouden. Momenteel is hier
de jachthaven gevestigd.
Naast de werken aan de nieuwe sluis werden kaaimuren aangelegd en werd een nieuwe
brug ter hoogte van de Kasteelstraat opgetrokken. Meer
over deze werken via lokale krantenartikels ... |
|
|
|
|
|
|